Wat speelde er?
Een basisschool had tijdelijk extra ruimte nodig. Omdat een inpandige oplossing niet mogelijk was, vroeg het schoolbestuur om het bestaande schoolgebouw tijdelijk uit te breiden met units naast de school.. De gemeente wees dit verzoek af en bood tijdelijk een ander schoolgebouw aan. Het schoolbestuur was het hier niet mee eens en besloot een (pro forma) bezwaarschrift in te dienen bij de gemeente. Een pro forma bezwaar is een voorlopig bezwaar. Vaak wordt zo’n bezwaar ingediend om de wettelijke bezwaartermijn van zes weken veilig te stellen, terwijl de inhoudelijke argumenten nog niet volledig klaar zijn.
Intrekken pro forma bezwaar en standpunten van de MR
Na het indienen van het pro forma bezwaar heeft het schoolbestuur juridisch advies ingewonnen. De adviseur verwachtte dat de procedure geen kans van slagen had. Op basis hiervan trok het schoolbestuur het pro forma bezwaar in, zonder de MR hierover om advies te vragen of te informeren.
De MR vond dat hij betrokken had moeten worden bij deze beslissing. Volgens de MR zou de intrekking van het pro forma bezwaar namelijk een beslissing zijn die betrekking heeft op “het beleid met betrekking tot de organisatie van de school”. Ook zou de beslissing volgens de MR gaan over “nieuwbouw of belangrijke verbouwing van de school”. Volgens de Wet medezeggenschap op scholen (Wms) moet het schoolbestuur bij zulke beslissingen vooraf advies vragen aan de MR. Daarnaast stelde de MR dat hij onvoldoende was geïnformeerd over het intrekken van het bezwaar.
Uitspraak Ondernemingskamer
Demedezegginschapsraad kreeg geen gelijk van de Landelijke Commissie voor Geschillen Wms, en ging in beroep bij de Ondernemingskamer. De Ondernemingskamer gaf het schoolbestuur gelijk en verklaarde de MR niet-ontvankelijk. Volgens de Ondernemingskamer had het schoolbestuur voldoende gemotiveerd dat het besluit om het pro forma bezwaar in te trekken was gebaseerd op een inschatting van de juridische haalbaarheid van de bezwaarprocedure.
Hierdoor kwalificeerde het intrekken van het bezwaar niet als een besluit tot vaststelling of wijziging van beleid inzake de organisatie van de school. Omdat het geen besluit betrof over nieuwbouw of een ingrijpende verbouwing van de school, had de MR geen wettelijk adviesrecht. Daarnaast oordeelde de Ondernemingskamer dat het schoolbestuur de MR voldoende had geïnformeerd. Het schoolbestuur had de MR immers voorzien van het mondeling verstrekte juridische advies, het pro-forma bezwaarschrift en de brief waarin het bezwaar werd ingetrokken.
Conclusies
Het beëindigen van juridische procedures kan grote gevolgen hebben voor de organisatie van een school. Zo kunnen uitkomsten van juridische procedures over bijvoorbeeld bekostiging en onderwijshuisvesting een aanzienlijke impact hebben. De uitspraak van de Ondernemingskamer laat zien dat de inhoudelijke motivering om een procedure te beëindigen doorslaggevend is voor de vraag of advies van de MR nodig is. In deze zaak was de reden om de procedure te beëindigen de gebrekkige juridische haalbaarheid. Daardoor was het geen beslissing over het beleid van de school met betrekking tot haar organisatie of huisvesting, en was advies van de MR dus niet verplicht.
Heeft u vragen over dit onderwerp, neem dan contact op met onze specialisten van sectorteam Onderwijs.