In deze Legal update wordt kort de kernverplichting tot het treffen van een gemeenschappelijke regeling op grond van de Jeugdwet uiteengezet, wordt er stilgestaan bij de gevolgen van het niet tijdig treffen of wijzigen van een (bestaande) gemeenschappelijke regeling, en worden concrete aandachtspunten geformuleerd zodat tijdig aan de nieuwe verplichting kan worden voldaan.
Kernverplichting: artikel 2.18 Jeugdwet
De Wet verbetering beschikbaarheid Jeugdzorg wijzigt de Jeugdwet in twee tranches: het eerste deel is per 1 januari 2026 in werking getreden en het tweede deel treedt per 1 januari 2027 in werking. De verplichting tot het treffen van een gemeenschappelijke regeling volgt uit het tweede deel.
Op grond van het per 1 januari 2027 in werking te treden artikel 2.18 zijn de colleges van de gemeenten in een jeugdregio verplicht om samen een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) te treffen. Het doel daarvan is om te bevorderen dat er binnen de aangewezen jeugdregio’s een toereikend aanbod is van de bij AMvB aangewezen vormen van specialistische jeugdhulp. Het bestuur van de jeugdregio wordt dan, met inachtneming van de door de raden vast te stellen regiovisie, belast met het regionaal inkopen van de aangewezen jeugdhulpvormen en gecertificeerde instellingen, het op eensluidende wijze uitvoeren van administratieve processen behorende bij die inkoop, bovenregionale afstemming en de organisatie van regionale expertteams.
Belangrijk is, dat de colleges volgens artikel 2.18, tweede lid, wel de keuze hebben in de vorm en zwaarte van de te treffen gemeenschappelijke regeling. Dit mag een gemeenschappelijk openbaar lichaam zijn (de “klassieke” gemeenschappelijke regeling met een algemeen en dagelijks bestuur), een bedrijfsvoeringsorganisatie, maar ook een centrumregeling. De centrumregeling is een lichte vorm van samenwerking, waarbij het college van één gemeente als centrumgemeente wordt aangewezen. Werken de colleges binnen een aangewezen jeugdregio al samen via een gemeenschappelijke regeling, dan mag die samenwerking ook worden voortgezet. Belangrijk is dan wel om te checken of de samenwerking ook aan de gewijzigde Jeugdwet voldoet. Is dat (nog) niet het geval, dan dient deze gemeenschappelijke regeling tijdig gewijzigd te worden.
Let op: geen overgangstermijn na 1 januari 2027
Zoals in de inleiding al benadrukt wordt, geldt de verplichting tot het treffen van een gemeenschappelijke regeling per 1 januari 2027. Daarbij is na 1 januari 2027 niet in een overgangstermijn voorzien. Uit de nota van toelichting bij het inwerkingtredingsbesluit (Stb. 2025, 283) volgt weliswaar dat de wetgever de colleges van gemeenten bewust één jaar implementatietijd heeft willen geven, maar deze implementatietermijn is door de wetgever uitdrukkelijk verdisconteerd in de latere inwerkingtreding van artikel 2.18 zelf. Anders gezegd: de wetgever heeft ervoor gekozen om artikel 2.18 pas per 1 januari 2027 in werking te laten treden, en niet al per 1 januari 2026, juist om de colleges van gemeenten een jaar voorbereidingstijd te gunnen. Die voorbereidingstijd loopt tot en met 31 december 2026. Op 1 januari 2027 moet de (gewijzigde) gemeenschappelijke regeling er staan.
Gevolgen van het niet tijdig treffen of wijzigen van een gemeenschappelijke regeling
De door de wetgever aangehouden planning om voor de jeugdregio’s per 1 januari 2027 een werkende gemeenschappelijke regeling te hebben, is ambitieus. Zowel het treffen als het wijzigen van een gemeenschappelijke regeling kent namelijk een lang aanloopproces. Naast het opstellen of wijzigen van de regeling zelf, moeten de raden namelijk tweemaal actief worden betrokken: eenmaal voor het geven van zienswijzen en eenmaal voor het geven van toestemming. Pas daarna kunnen de colleges besluiten tot het treffen of wijzigen van een gemeenschappelijke regeling (zie ook artikel 1 van de Wgr). Een doorlooptijd van een jaar is daarmee geen uitzondering. Alleen al gelet op deze lange doorlooptijd dringt de tijd inmiddels.
Het nakomen van deze verplichting is ook nog om een andere reden aanbevelenswaardig. Voldoen colleges niet tijdig aan deze verplichting, dan kunnen zij worden geconfronteerd met interbestuurlijk toezicht. Het wetsvoorstel onderstreept namelijk het verplichtende karakter van regionale samenwerking en biedt het Rijk de mogelijkheid om een besluit tot indeplaatsstelling te nemen, hetgeen betekent dat de minister de vereiste maatregelen namens en op kosten van de betrokken overheid zal treffen.
Actiepunten voor het tijdig treffen of wijzigen van een gemeenschappelijke regeling
De gewijzigde Jeugdwet brengt een verplichting tot het tijdig treffen of wijzigen van een gemeenschappelijke regeling met zich mee. Voor de nieuwe raden en colleges betekent dit dat er de komende periode flink werk aan de winkel is.
Denk daarbij in ieder geval aan de volgende actiepunten:
- Controleer de regio-indeling: Bij AMvB is de indeling van gemeenten in jeugdregio’s vastgelegd. Het is belangrijk om op korte termijn na te gaan in welke jeugdregio de gemeente is ingedeeld en wie de andere deelnemende gemeenten zijn (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2025-357.html).
- Tijdige start proces tot het treffen of wijzigen van een gemeenschappelijke regeling (Wgr): de volgende stap is dat er een nieuwe gemeenschappelijke regeling moet worden opgesteld, dan wel dat een al bestaande regeling moet worden gewijzigd. Dit is een tijdrovend proces waarbij veel stakeholders betrokken dienen te worden. Gelet op het feit dat de gemeenschappelijke regeling uiterlijk per 1 januari 2027 operationeel moet zijn, is er voor gemeenten die nog geen start hebben gemaakt feitelijk geen tijd te verliezen. Om interbestuurlijke sancties te voorkomen, is een tijdige start ten zeerste aan te raden.
Heeft u nog vragen over deze update of is ondersteuning gewenst bij het proces en de juridische vormgeving van een gemeenschappelijke regeling voor de Jeugdregio? Neem dan contact op voor verdere informatie. Onze specialisten helpen u graag verder.